Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
Vragen en oefeningen. Teekent een driehoek, die gelijk-
beenig en tevens rechthoekig is.
Teekent een driehoek, die gelijkbeenig en tevens stomp-
hoekig is.
Kan een der hoeken aan de grondlijn van een gelijkbeenigen
driehoek stomp zijn, of recht?
Wat weet gij van de hoeken van een gelijkzijdigen driehoek?
Hoeveel graden bevat elk der hoeken? Van een gelijkbeenigen
driehoek is de tophoek 42°. Hoe groot is elk der hoeken
aan de grondlijn?
Wat weet gij van een gelijkbeenigen driehoek, als de top-
hoek 60° bevat?
Van een gelijkbeenigen driehoek bevat een der hoeken aan
de grondlijn 72°. Hoe groot is de tophoek?
§ 90. Wat weet gij van de rechte lijn, die den tophoek
van een gelijkbeenigen driehoek middendoor deelt.
Wat weet gij van de rechte lijn, die het toppunt van een
gelijkbeenigen driehoek vereenigt met het midden der grondlijn?
Wat weet gij van de loodlijn, die uit het toppunt van een
gelijkbeenigen driehoek op de grondlijn valt?
Elk dezer vragen kan de leerling onmiddellijk beantwoorden,
als hem een net figuur onder 't oog wordt gebracht.
§ 91. De hoeklijnen van een vierkant deelen elkaar recht-
hoekig middendoor. Plaatst men het vierkant terstond zoo, dat
een der zijden nagenoeg horizontaal is, dan valt de eigenschap
niet gemakkelijk in 't oog. Wel is dit het geval, als men de
figuur zoo plaatst, dat een der hoeklijnen horizontaal is.
Het eenvoudigste bewijs van deze eigenschap wordt ver-
kregen, als men de figuur omvouwt volgens een der hoek-
lijnen; maar ik acht een bewijs hier overbodig.
Teekent men een vierkant met de beide hoeklijnen zóó,
dat éen van deze horizontaal loopt, dan valt terstond in het
oog, dat de diagonalen van een vierkant de hoeken midden-
door deelen.
De twee hoeklijnen van een vierkant zijn even lang. Zij
verdeelen elkaar in twee gelijke deelen en het vierkant in 4