Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
SYMMETRISCHE FIGUREN.
§ 88. Een vlak figuur is symmetrisch, als men haar zoo
kan omvouwen volgens een rechte lijn, dat de twee deelen,
waarin die rechte lijn de figuur verdeelt, elkaar bedekken.
Men behoeft deze bepaling noch het woord symmetrisch te
leeren kennen aan de kinderen; maar als deze een symme-
trisch figuur goed beschouwen, zullen zij opmerken, dat de
lijnen en hoeken van zulk een figuur twee aan twee gelijk
zijn. Om die symmetrie te doen in 't oog vallen, moet
men de figuur zoo plaatsen, dat de as van symmetrie voor
de leerlingen een recht opstaande lijn is.
De leerling heeft vroeger reeds gezien, dat een cirkel
door ieder zijner middellijnen wordt verdeeld in twee deelen,
die elkaar bedekken kunnen.
Men vrage nu, om in een vierkant een rechte lijn te
trekken, die de figuur in 2 gelijke deelen verdeelt. Dit
kan op twee manieren: door een lijn evenwijdig aan twee
der zijden en door een hoeklijn. Om het laatste goed te
doen in 't oog vallen, teekene men het vierkant zóó, dat
een der hoeken een vertikale lijn wordt.
§ 89. Men teekene een gelijkbeenigen driehoek en vrage,
wat de leerlingen weten van de hoeken aan de grondlijn.
Uit de beschouwing der figuur blijkt hun terstond, dat de
hoeken aan de grondlijn van een gelijkbeenigen driehoek ge-
lijk zijn.
Men teekene een driehoek met gelijke hoeken aan de
grondlijn en vrage, wat de leerlingen weten van de 2 op-
staande zijden. Zij zien, dat een driehoek gelijkbeenig is, als
zijn hoeken aan de grondlijn even groot zijn.