Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
§ 6o. Een driehoek te teekenen, waarvan twee zijden en de
ingesloten hoek gegeven zijn.
Men kan een willekeurige rechte lijn trekken, en daarop
een stuk nemen gelijk aan de eene zijde. Vervolgens kan
men in het eene uiteinde van dat stuk als hoekpunt een hoek
maken, waarvan dat stuk het eene been is, en die gelijk is
aan den gegeven hoek. Past men dan op het andere been
de andere der gegeven zijden af, en vereenigt men de niet
gemeenschappelijke uiteinden der afgepaste zijden, dan heeft
men den gevraagden A-
§ 6i. Een driehoek te tee-
kenen , als zijn 3 zijden ge-
geven zijn.
Laat ^ en r de gegeven
zijden zijn. Men kan een wille-
keurige rechte lijn trekken en
daarop een stuk AB afpassen,
dat gelijk is aan p. Beschrijft
men uit A en B als middelpunten met g en r als stralen
cirkelbogen, die elkaar in C snijden, en vereenigen wij C
met A en met B, dan is AC = q, BC = r en AB = p, zoo-
dat ABC de gevraagde A is.
§ 62. Dat twee driehoeken gelijk zijn, als de drie zijden
van den eenen driehoek gelijk zijn aan de drie zijden van den
anderen driehoek, valt mijns inziens bij een aandachtige be-
schouwing der figuur genoeg in het oog. Tot verduidelijking
zou men er nog het volgende kunnen bijvoegen. Plaatsen wij
driehoek DEF zóó op driehoek ABC, dat de grootste zijden
H
DE en AB samenvallen; van het punt F weten we dan, dat
het ergens in den cirkel moet vallen, die A tot middelpunt
en AC tot straal heeft. Nu kan F niet in een punt zooals