Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
Kan in een driehoek een hoek juist zoo groot zijn als
de andere twee samen?
Kan een der hoeken van een driehoek grooter zijn dan
de andere twee hoeken samen?
VERDEELING DER DRIEHOEKEN IN SOORTEN NAAR DE ZIJDEN.
§ 46. Letten wij op de zijden van een driehoek, dan blijkt
dat ze verschillende lengten kunnen bezitten, dat twee zijden
even lang kunnen zijn en dat de 3 zijden gelijk kunnen zijn.
Een driehoek, waarvan twee zijden gelijk zijn, noemt men
gelijkbeenig. Hier wordt evenals elders eerst de afbeelding
gegeven en daarna de naam. Men geve ook afbeeldingen
in onderscheiden vorm, bv.
Verder worden ook gelijkbeenige driehoeken geteekend,
waarvan de grondlijn niet waterpas is, en men doe aan
figuren opmerken, dat een gelijkbeenige driehoek tevens
scherphoekig, rechthoekig of stomphoekig is.
Een driehoek, waarvan geen twee zijden gelijk zijn, noemt
men ongelijkbeenig.
Een driehoek, waarvan de drie zijden onderling gelijk zijn,
noemt men gelijkzijdig.
De twee gelijke zijden van een gelijkbeenigen driehoek
noemt men zijn beenen. De andere zijde noemt men de
grondlijn. Den hoek tegenover de grondlijn den tophoek.
De andere hoeken aan de grondlijn of grondhoeken.
Bij een willekeurigen driehoek noemt men een der zijden,
onverschillig welke, de grondlijn. Gewoonlijk echter noemt