Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
L'P— ■ i".'J-"- UILUSit J'JJLW-**»
30
Hoeken, wier beenen evenwijdig zijn.
§ 37. Bij het snijden van twee rechte lijnen door een derde
ontstaan 8 hoeken, die 4 aan 4 en 2 aan 2 verschillende na-
men bezitten. Gewoonlijk geeft men bij de vormleer terstond
die namen in den vorm van bepalingen. Ik acht het wenschelijk
om zoowel die namen als de bepalingen achterwege te laten.
Hoofdzaak is hier dat de leerling opmerkt, dat twee hoeken
gelijk zijn, als hun beenen beide in dezelfde of beide in
tegengestelde richting loopen. Voor wij hiertoe overgaan,
wordt het volgende opgemerkt.
Een lijn bezit alleen lengte, geen breedte of dikte. Een
streep is een middel om ons de lijnen gemakkelijker voor
te stellen. Hoe dunner een streep is, des te beter stelt zij
een lijn voor.
Een punt bezit lengte, breedte noch dikte. Hoe kleiner
een stip is, des te beter stelt zij een punt voor.
Als een punt zich beweegt, doorloopt het een lijn.
„ „ lijn „ „ „ zij „ vlak.
„ „ vlak „ ,, ,, het ,, lichaam.
Men wijze er hier ook op, hoe men een voorstelling van
een plat vlak krijgt, door van een dun lichaam, b.v. een
blad papier, de dikte geheel weg te nemen.
Een deel van een lichaam is altijd weer een lichaam.
„ vlak „ „ „ „ vlak.
,, n „ lijn „ .. lijn.
§ 38. Een rechte lijn kan door een punt doorloopen
worden in twee richtingen, waarvan de eene juist de tegen-
gestelde is van de andere. We kunnen dus bij elke rechte
lijn twee richtingen onderscheiden. De twee richtingen, die
men bij een rechte lijn heeft, zijn dezelfde als de twee
richtingen, die men bij een evenwijdige lijn heeft.
Teeken nu twee hoeken op bord, wier beenen, van het hoek-
punt af gerekend, in dezelfde richting loopen, en vraag welke
van de twee hoeken het grootst is. Het komt mij onverschillig
voor, of men hier terstond met het algemeene geval begint,