Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
. .... ^
26
telkens op den voorgrond: rechthoeken, wier hoogte i dM,
cM of M is.
Aan figuren laat men opmerken hoe groot het oppervlak
is van een rechthoek, wiens breedte i en wiens lengte 2, 3,
4, i, i, Ü, f, 3^ dM is.
Nemen wij nu een rechthoek, waarvan de lengte 4 dM is
en de breedte 2 dM. We bepalen eerst het oppervlak van
een rechthoek, wiens lengte 4 dM en wiens breedte i dM is.
Dien rechthoek moeten we 2 keer nemen.
Evenzoo met de breedte ^ en | dM enz. en de lengte 3 ,
4, Si dM.
Vervolgens nemen we breedten zooals | en 2^ dM.
Bij de vraag hoe breed een rechthoek is, als zijn oppervlak
27 cM'- en zijn lengte 6cM is^ redeneere men op de volgende
wijze. De lengte is 6 cM; als de breedte i cM was, zou het
oppervlak 6 cM^ zijn. Zoo dikwijls als nu 6 cM^ op de 27 cM^
begrepen is, zooveel centimeters bevat de lengte. Men heldere
dit op door een figuur.
Als de leerling grondig bekend is met het berekenen van
het oppervlak van een rechthoek uit zijn zijden, dan bestaat
er voor hem geen bezwaar, om op de volgende wijze te rede-
neeren. 6 keer het aantal centimeters, dat de lengte bevat,
is 27. De lengte bevat dus (27 : 6 = 4.V) centimeter.