Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
centimeters. En werkelijk doet zich zulk een bezwaar wel
eens voor, maar alleen bij leerlingen, die niet goed begrepen
hebben, dat het aantal centimeters, dat de breedte bevat
X het aantal centimeters, dat de lengte bevat = het aantal
vierkante centimeters, dat het oppervlak bevat. Als de leer-
ling dit niet begrepen heeft, zal de oorzaak wel gewoonlijk
zijn, dat men te los heengestapt is over die berekening.
Ten aanzien der eerste wijze van berekenen kan men de
opmerking maken, dat daar bij een te vluchtige behandeling
van hetgeen voorafgegaan is een zelfde bezwaar kan ont-
staan als bij de andere manier van berekenen: de leerling
zou het vreemd kunnen vinden, dat het quotient van vier-
kante centimeters door vierkante centimeters centimeters op-
levert.
§ 25. Tot de vraagstukken over den rechthoek, die een
afzonderlijke bespreking vereischen, behoort in elk geval het
berekenen der oppervlakte van een sloot, die om een recht-
hoekig stuk land wordt gelegd, waarbij wel te onderscheiden
is of zij er op of er naast wordt gelegd.
De meest aanschouwelijke manier om dit vraagstuk op te
lossen, is dat men zulk een figuur op het schoolbord teekent
en vervolgens de oppervlakte van den rand of de sloot ver-
deelt in 4 vierkanten en 4 rechthoeken. De zijden van die
vierkanten zijn gelijk aan de breedte der sloot. Van de vier
rechthoeken hebben twee tot lengte de lengte van het over-
blijvend stuk land en twee de breedte van het overblijvende
land. Van alle 4 de rechthoeken is de breedte gelijk aan de
breedte der sloot.
Eenvoudiger oplossing verkrijgt men, door de oppervlakte
der sloot te beschouwen als het verschil der oppervlakken
van twee rechthoeken.
De laatste handelwijze levert ook een groote bekorting op,
.wanneer de oppervlakte der slooten of de oppervlakte van
het overblijvende land moet berekend worden, wanneer men
een rechthoekig stuk land door slooten in de lengte en
andere in de breedte verdeelt in kleinere rechthoeken. Men