Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
r''
Daarna zegt men: al deze figuren zijn vierkanten. Een vier-
kant is een plat vlak of een deel van een plat vlak, dat vier
rechte hoeken heeft en vier gelijke zijden.
Gewoonlijk houdt men den kubus zóo, dat zijn ribben
staande of liggende lijnen zijn, en teekent men vierkanten
met twee zijden horizontaal. Het is echter noodig, den kubus
ook eens in schuinen stand te houden en op het schoolbord
vierkanten te teekenen, waarvan alle zijden schuins loopen.
Op die wijze voorkomt men, dat de leerlingen meenen, dat
het vierkant altijd een bepaalden stand heeft.
§ 20. Men teekene op bord twee rechthoeken, die de lengte
gelijk hebben en de breedte, en vraagt welke van de twee
het grootst is. Men kan ook met een rechthoek, die op bord
geteekend is, en een rechthoekig stuk papier, dat dezelfde
lengte en dezelfde breedte heeft als die rechthoek, laten zien,
dat het den rechthoek op bord juist kan bedekken. (De 4
strepen, die den rechthoek begrenzen, moeten nog alle even
zichtbaar zijn, anders zouden de leerlingen alleen weten, dat
de op bord geteekende rechthoek door het geheele papier of
door een deel hiervan wordt bedekt). Men kan hetzelfde
laten zien met twee stukken papier of beter nog met drie,
waarvan slechts 2 even dik zijn. Ook gelijke zijvlakken van
twee rechthoekige parallelepipedums kunnen daartoe dienen.
Door velerlei voorbeelden wordt men eerst zeker, dat de
voorstelling zuiver zal zijn, dat het toevallige door den leer-
ling wordt ter zijde gelaten.
Heeft men op die wijze in werkelijkheid op elkaar geplaatst,
dan kan men ook de leerlingen figuren in de gedachte op
elkaar doen plaatsen. Men zegt dan van 2 rechthoeken (eerst
van een op bord en een stuk papier en later van twee op
bord) met gelijke lengte en breedte: als men den eenen
rechthoek in de gedachte zoo met den anderen doet samen-
vallen, d^t eene zijde samenvalt, wat zal er dan gebeuren
met deze zijde, wat met die en wat met de zijde die even-
wijdig is aan de eerste.? Zoo zien de leerlingen, dat de twee
rechthoeken kunnen samenvallen.
2