Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
maken. Men make de afbeelding van zulk een zijvlak op
het schoolbord, en de leerlingen doen hetzelfde op de lei.
Men zegt, dat de strepen de ribben of kantlijnen voorstel-
len. Een streep heeft echter een zekere breedte, hoe kleiner
deze is, des te nauwkeuriger stelt zij een ribbe of lijn voor.
Men noemt die strepen zelf ook wel lijnen.
Van de vier lijnen der figuur, die op bord staan, wischt
men twee overstaande weg. Een der lijnen, die blijven staan,
verlengt men aan haar eene uiteinde en de leerlingen doen
dat ook op de lei. Men vraagt, of die zelfde lijn ook aan
haar andere uiteinde kan verlengd worden. Dit wordt gedaan.
Evenzoo met de andere lijn. Men vraagt of die lijnen, als
men ze nog verder verlengt, ook bij elkaar komen en zoo
zien de leerlingen, dat twee lijnen die ze evenwijdig noemen,
hoe ver ook verlengd, niet bij elkaar komen.
§ 15. Nu laat men aan een scheef parallelepipedum een
scherpen en een stompen hoek zien, die men vervolgens op
bord teekent met een rechten hoek, bij den kubus te zien.
Men beschouwe nu ook twee dunne staafjes, die in een
uiteinde door een scharnier verbonden zijn, als de voorstel-
ling van een hoek. Men leere den naam beenen kennen en
laat het hoekpunt aanwijzen. Men plaatse de «staafjes zóó,
dat zij tegen het bord aan liggen en de voorzijde van het
bord dus het vlak van den hoek voorstelt. Later kan men
de staafjes vrij in de hand nemen.
Men plaatse de staafjes zóó, dat zij een kleinen hoek vor-
men en laat vervolgens het eene been zóó bewegen, dat de
hoek grooter wordt. Daarna laat men op dezelfde wijze een
hoek kleiner worden. Men vraagt wat er met den hoek ge-
beurt. Nadat de leerlingen op die wijze een begrip hebben
gekregen van het grooter en kleiner zijn van een hoek, keere
men weer terug tot 3 hoeken op het bord: een scherpe, een
rechte en een stompe, die zoo geteekend zijn, dat een been
horizontaal is. Men verlenge van ieder het horizontale been
door het hoekpunt heen en vraagt hoeveel hoeken men nu
bij elk figuur heeft. Men noemt twee hoeken, die een been