Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
van meer samengestelde werkzaamheden van het denkvermo-
gen. Er is alzoo tusschen de meetkunde en vormleer niet
zoo zeer een materieel of stoffelijk, als wel een formeel, een
methodisch onderscheid." Ondanks dit lezen wij verder, dat
de leerlingen hier zullen opgeleid worden tot „opmerken,
beschouwen, vinden, denken en bewijzen." En inderdaad
vindt men in de behandeling vrij wat meetkunde. BI. 35—39
geeft een ,,beschouwing van de grondslagen der Driehoeks-
meting ;" de goniometrische lijnen worden hier besproken,
zelfs oneindig groote tangenten, secanten enz. komen voor;
ook de sinus-versus wordt niet vergeten. Van bl. 39—63
vindt men ,,logisch-mathematische oefeningen." Van bl. 63—80
wordt de vormleer der figuren in de ruimte behandeld.
Diesterweg begint met de begrippen van lijn, vlak , enz.
uit de aanschouwing van lichamen te ontleenen. Zijn eerste
oefeningen zijn verder niet zoo onpraktisch en gekunsteld als
bij Pestalozzi en van Dapperen. Toch is er ook hier niet
genoeg aan gedacht, de leerstof bij voorkeur onder de
dagelijks voorkomende zaken te kiezen. Het geheel is niet
geschikt voor kinderen, zoodat Bèugsma te-recht opmerkt:
,,Dat het niet voor jonge kinderen bestemd is, valt in het
oog; want de hier voorkomende zaken vorderen een reeds
eenigszins ontwikkelde denkkracht."
In 1839 verscheen een vertaling van den tweeden druk
der Aanwijzing tot het gebruik van de Handleiding.
De vertaling der beide werkjes heeft geen herdruk
beleefd.
§ 248. Dat Prinsen het nuttigste deel van Pestalozzi's
vormleer door meetkunde had vervangen en het zoo even
aangehaalde oordeel van Brugsma over Diesterweg's vormleer,
zijn waarschijnlijk twee omstandigheden, die er toe meege-
werkt hebben, dat de vormleer, die aanvankelijk met belang-
stelling werd ontvangen door de Nederlandsche onderv.'ijzers,
langzamerhand weder op den achtergrond trad, tot dat bij
de wet van 1857 vormleer als een der vakken van het ge-
woon lager onderwijs werd beschouwd.