Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
gel, 1,2 M, dan zou het verschil in hoogte tusschen x en j/
2,66 M bedragen.
Daar men nu met het waterpas slechts bij windstil weder
en ook dan niet verder dan 30 M met zekerheid kan zien,
is het wenschelijk, bij grootere afstanden, vooral wanneer
de daling groot is, de te meten lijn in deelen te splitsen en
de gevonden verschillen op te tellen en af te trekken.
§ 204. Tot het meten van rechte lijnen op het land ge-
bruikt men meestal de meetketting. Deze bestaat gewoonlijk
uit 20 staven van ijzerdraad, die door ringen verbonden zijn,
zóó dat de afstand der middelpunten van 2 opeenvolgende
ringen juist een meter is. Men verschaffe den kinderen ge-
legenheid, zulk een meetketting eens te zien.
§ 205. Bij het afteekenen van vlakke figuren laat men den
vorm onveranderd en neemt men alle lijnen eenige malen
kleiner dan ze in de werkelijkheid zijn. De hoeken behouden
hun grootte. Maakt men nu elke lijn 100, 1000, maal zoo
klein, dan kan men de meters, dekameters, enz. van het
veld op de teekening vervangen door centimeters. Komt
het beter uit, elke lijn bv. 2000 of 2500 maal zoo klein te
nemen, als ze is, dan deele men de gevonden lengte door
2000 of 2500. Bedient men zich daarbij van een dubbelen
decimeter, die in halve millimeters verdeeld is, dan kan men
vrij groote nauwkeurigheid verkrijgen. Zelfs kan men daarbij,
als de punten der passer fijn genoeg zijn, tot op een kwart
millimeter nauwkeurig meten. Wanneer men in de praktijk
hiermee nog niet tevreden is, bedient men zich van een zoo-
genaamde verkleiningsschaal, die Kehr reeds op bl. 29 van
zijn handleiding uitvoerig bespreekt. Het komt mij echter
voor, dat op de lagere school nuttiger zaken kunnen behan-
deld worden in den beperkten tijd, die voor dit leervak
beschikbaar is.
§ 206. Een hoek P op het veld kan met
behulp van den meetketting bepaald worden.
Men meet daartoe op de beenen van dien
hoek gelijke stukken PQ en PR. Vervolgens