Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1894
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9068
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202208
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Vormleer (wiskunde), Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de vormleer of aanschouwelijke meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
ii6
te plaatsen, zóó dat A, B en D in een rechte lijn liggen.
Vervolgens kan men een staafje plaatsen in een punt C, dat
met B en D in één rechte lijn en tusschen A en B ligt. Dat
punt zal dan ook in één rechte lijn liggen met A en B.
Het is wenschelijk, dat de leerlingen zich oefenen in het
schatten van afstanden, die vervolgens gemeten worden.
Eerst neemt men kleine afmetingen in school, daarna groo-
tere op het land, die men in meters en in schreden laat
schatten. Ook laat men hoogten schatten. Het blijkt daarbij,
dat de kinderen aanvankelijk de hoogten gewoonlijk over-
schatten en horizontale afstanden onderschatten. Aardig is
het ook, om door kinderen aan den wand van den grond
af de hoogte te laten aanwijzen, die naar hun schatting een
heerenhoed heeft. Men plaatse na de schatting zulk een hoed
op den grond, om de juistheid te beoordeelen.
§ 200. Gewoonlijk meent de leerling, dat op een golven-
den akker meer koren kan groeien en dat op de hellingen
van een berg meer boomen kunnen staan, dan op het over-
eenkomstige vlakke veld. Het is hun daarom voorloopig
vreemd, dat een landmeter bij het bepalen der oppervlakte
van een stuk grond
geen oneffenheden in
■ ^ ■ C ® .. aanmerking neemt.
Om te laten zien,
dat op een heuvel niet
! T meer boomen kunnen
staan dan op het over-
eenkomstige vlakke land, wijze men er op, dat de boomen
vertikaal groeien en dat hun aantal afhangt van hun onder-