Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hollandfche Spraakkunst* 45
8. Vr. Waarom?
A. Omdat, als men de woorden mede als bij-
Toegelijk gebruikt, men niet zou fcbrgven de
gefbralV/ff zoon, maar de geflraftft zoon; niet de
bedrukisfe, maar de bedrukte man enz.
/NEGENTIENDE LES.
1. Vr. Moet men alle gelijkluidende,; doch in
bcteekenis verfchilknde woorden, rdet met ver- ^
fchillende letters fpellen?
A. Dit is niet noodig^ zoo als wij met het
woord acht gezien hebben.
a. Vr. Gebeurt het echter wel niet? ,
A. Ja, het gebeiu-t nog wel eens, omdat het
gebruik het zoo fchijnt te vorderen.
3. Vr. In welke woorden vordert het gebruik
dit dan?
A. In de woorden nog en noch, dog en docli,
ligt en licht enz. '
4. Vr. Welk is het onderfcheid tusfchen nog en
noch ?
A. Nog geeft eene vermeardering te kennen,
en noch duidt eene ontkenning aan.
5. Vr. Welk is het onderfcheid tusfchen dog en
doch? ^
A. Log is de naam van eei\* hond, en doch ia
een voegwoord.
6. Vr.