Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
42 Eerjis, heginfelen der.
A. Neen, in fommige. werkwoofden komt bij
de vervoeging het voorzetfcl achter. Zoo wordt,
bij de Vervoeging van de twee eerde der ftralcs
genoei^ide werkwoorden, het voorzetfel achter.
het werkwoord geplaatst, want men zegt niet ik
overhoud — ik voorwend, maar ik houd over, ik
vcnd voor; daarentegert blijft het voorzetfel voor
de twee laatstgenoenvde werkwoorden ft^n, wan-
nfer men dezelve vervoegt, want dan zegt men.
niet, ik zié voor, ik vraag onder; maar ï/t vocr-
zie, ik ondervraag enz.
15. Vr. Van waar komt dat?,
A. Alleen van-den nadruk der uitfpraak, wel^
ke, of op het voorzetfel, of op het zakelijke
deel ilcs werkwoords valt. — Valt nu de na-
druk der uitlpraak op het voorzetfel, dan is
het fchcidbaar en daji komt het achter het
werkwoord; maar vaU de nadruk der uitfpraak-
op het zakelijke deel van het werkwoord, dan
is het voorzetfel onfcheidbaar en dim blijft het
Ufior het werkwoord en wordt dus een onfehcid'
haar voorzetfel genoemd.
16. Vr. IVat zijn Voegwoorden?.
A. Dat zijn woorden, die de eene rede aan
de andere voegen en daaro'ii ook voegwoor-
den heeten.
17. Vr. Noem er eens eenige.
A. F-n, nog, noch, dewijl, maar, hoewel^
opdat enz. . 18, Vr.