Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Tegenwoordige tijd.
Opdat ik rekene.
Opdat 'gij rekenet.
Opdat hij rekene.
Opdat wij rekenen,
Opdat gij rekenet.
Opdat zij rekenen.
Onvohn. verl. tijd.
Dat ik rekende.
Dat gij rekendet.
Dat hij rekende.
Dat wij rekenden.
Dat gij rekendet.
D^t zij rekenden,
HoUandfehe Spraakkunst,
Aanvoegende wijs.
3?
Onvolm, tijd.
Dat ik zonde
Dat gij zoudet
Dat hij zoude reke-r
Dat wij zouden 1 nen.
Dat gij zoudet
Dat zij zouden
Deelwoorden.
Rekenende
en
Qerekend,
ZESTIENDE LES.
i. Vr. Vervoeg nu eéns het wedcrkeerige werk-
woord zich fchamen.
A. Aantoonende wijs.
Tegenwoordige tij(f.
Ik Ichaam mij.
Gij fchaamt u.
Hij Ichaamt zich.
Wij fchamen ons,«
Gij fchaamt u.
Zij fcbaraen zicli.
Onvolm. verl. tijd.
Ik fghaarade mij.
Gij fchaamdet u.
Hij fchaamde zicIi»
Wij fchaamden ons.
Gij fcliaamdet i]. ,
Zij fcliaaffiden zidi. •
C 3 Vsbn^