Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hollandfche Spraakkunst.
81
Tegenwoordige tijd. Onv olm. tijd.
Opdat ik zij. Dat ik zoude -j
Opdat gij zijt. I at gij zoudet 1
Opdat hij zij. Dat hij zoude v
Opdat wij zijn. Dat wij zouden (
Opdat gij zijï. Dat gij zoudet J
Opdat zij zijn, Dat zij zouden
Onv. verlcd. tijd. Deehoordcn.
Dat ik ware. Zijnde.
Dat gij warst. en
Dat hij ware. Geweest.
Dat wij -waren.
Dat gij waretè ' A ' -
Dat 2ij waren.
rzijn.
TWAALFDE LES.
Vr. Vervaeg nu eens het hulpvfoord hebben?
A. Aantoonende wijs.
Tegenwoordige tijd. Onvolm. verl. tijd.
Ik heti. Ik had.
Gij hebt. Gij hadt.
Hij heeft. Hij had.
Wij hebben. Wij liadden.
Gij hebt. Gij hadt.
Zij hebben. Zij hadden.
Vol.