Boekgegevens
Titel: Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Auteur: Vermeij, Albertus
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1820
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8926
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202188
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste beginselen der Hollandsche spraakkunst: voorgesteld in vragen en antwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
TJöffanS^^^praaS!^

A. Mijn^ uw-, ons ^ onze^ zijn., zijns^ enz.
6. Vr. Noem nu eens eenige vragende.
A. ÏFie^ wat welke^ hoedanige^ enz.
7. Vr. Nu eens eenige aanwijzende.
A. Deze^ die^ gency degene^ dezehe^ zulke ^
enz.
8. Vr. Noem nu nog eenige betrekkelijke?
A. Welke ^ dewelke.^ die ^ wie^ dien^ dat ^ enz.
9. Vr. Zoek nu eens elk dezer voornaamwoor-
den uit het volgende: „ God is liefde. Hij heeft
„ zich door Jezus ah onzen Vader doen kennen,
„ Wie hebben Hem waarlijk lief? Zulken.^ die
5, Hem vreezen en zijne geboden trachten te ge*
„ hoorzamen."
A. , Hij is een perfoonlijk voornaamwoord,
zich een wederkeerend, onzen een bezittelijk,
wie een vragend, Hem een perfoonlijk, zulke
een aanwijzend en die een betrekkelijk voor-
naamwoord.
10. Vr. Kunnen dc voornaamwoorden ook ver^
bogen worden ?
A. Ja; zoo verbuigt men de woorden ik en
gij op deze wijze:
Enkelvoudig.
1. Ik. i. Gij.
2. mijns, o/Yan mij. 2. uws, o/vaa u. ^
3. aan mij. 3. aan u.
4. mij. 4. u.
B 4 Meeiw
\