Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
de rest. Als ik u zeg, dat A 200 gulden minder ontvangen
heeft dan B, kunt gij dan berekenen, hoe veel gulden C m e e r
ontvangen heeft dan B?
30. A en B kunnen zeker werk verrigten in dag; B
en C in 4% dag, en A en C in 4y, dag. Indien zij het werk
gemeenschappelijk voltooijen, en er 32,25 gulden aan verdie-
nen, hoe veel gulden komt dan ieder, naar evenredigheid van
den arbeid, van de verdiende som toe ?
31. Een winkelier betaalde voor 250 pond thee, 400 pond
tabak en 625 pond koffij te zamen 1388 gulden en 75 cents.
Indien 5 pond thee in prijs gelijk stond met 16 pond kolïij,
en 'tpond koffij 5 cents min der kostte dan 't pond tabak, hoe
veel gulden kostte dan 'tpond van elke waar in 'tbijzonder?
32. Van 11350 gulden moet A % tegen B terwijl B %
moet hebben als C y. bekomt. Hoe veel gulden komt ieder toe ?
33. A, B en C hebben 10 duizend gulden zóódanig onder
elkander te verdeelen, dat A 1250 gulden minder bekomt
dan B, terwijl C 375 gulden meer moet hebben dan B. Hoe
veel gulden moet ieder hebben?
34. Een winkelier betaalde voor 150 el linnen en 240 el
katoen tezamen 162 gulden. Indien't linnen katoen, en't
katoen linnen geweest ware, dan zou hij 9 gulden en 9 stui-
vers meer hebben moeten betalen. Hoe veel cents kostte de
el van elke stof?
35. A, B en C hebben gemeenschappelijk handel gedreven ,
en tot dat einde eenig geld in den handel gelegd. De inleg-
som van A stond tot die van B als 5 tot 8, terwijl het geld, dat
B in den handel gelegd heeft, tot dat van C staat als 4 tot 5.
Verder weet men, dat de tijd van B tot dien van A staat als
1 tot 2, en dat C 3 maanden in den handel geweest is tegen
A 5 maanden. Indien zij met dezen handel in zekeren tijd
3750 gulden gewonnen hebben, hoe veel komt dan ieder,
naar evenredigheid van inleg en tijd, van de winst toe ?