Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
was, tegen SV^ percent in 'tjaar. Indien de grootste som jaar-
lijks 80 gulden intrest meer opbragt dan de kleinste, hoe groot
was dan ieder kapitaal?
292. A, B en C hebben gemeenschappelijk handel gedreven.
De inleg van A en B te zamen was 4000 gulden, die van B
en C te zamen 3500 gulden, terwijl die van A en C te zamen
4500 gulden was. Indien A van de winst 125 gulden meer
heeft ontvangen dan B, hoe veel gulden heeft dan ieder met
den handel gewonnen?
293. Eene partij tarwe, die 1950 gulden kostte, werd met
een verlies van 5 percent verkocht. Uit hoe veel last bestond
de partij, als er zoo veel op verloren werd als de inkoop
van 10 mud was?
294. A, B en C handelden in compagnie en wonnen 575
gulden. De inlegsommen stonden tot elkander als 3, 3% en
5. Indien het geld van A 5, dat van B 6, en dat van C 4
maanden in den handel geweest ia, hoe veel gulden kwam dan
ieder van de winst toe ?
295. Iemand kocht 150 el laken, tegen 10% gulden de 2
el. Een gedeelte er van verkocht hij tegen 4 gnlden de 12^/2
stuiver de el, en de rest tegen inkoopsprijs. Indien zijue winst
juist 9 rijksdaalders bedroeg, hoe veel el heeft bij dan met
winst, en welk gedeelte tegen inkoopsprijs verkocht?
296. Een winkelier betaalde op eene rekening eerst het
vierde deel, en eene maand later op de rest het derde deel
en 250 gulden, waarna hij nog 500 gulden schuldig bleef. Hoe
groot was 'tbedrag der rekening?
297. Zekere som werd onder A, B en C zoodanig verdeeld,
dat A 2 gulden ontving tegen B 5, terwijl B 3 gulden bekwam
tegen C 4. Hoe veel gulden heeft ieder ontvangen , zoo A
1400 gulden minder ontvangen heeft dan C?
298. Een winkelier kocht voor 200 gulden tabak, welke hij
verkocht tegen 90 cents het pond. Indien hij voor bovenge-
noemde som 10 pond meer ontvangen had, dan zou zijne winst
juist 34 gulden geweest zijn. Hoe zwaar woog de partij ?