Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
77
kocht had, dan zou zijne winst juist 15 gulden en 75 cents
geweest zijn. Bereken nu eens, hoe veel gulden de 100 pond
hem gekost heeft, als zijne winst op 10 pond 2% cent meer
bedroeg dan de inkoop van 't pond.
247. Koopman Klaverbloem kocht 75 el zwart laken. Indien
hij er nog 50 el bij gekocht had van eene soort, die per el 2 %
gulden meer kostte, dan zou hij 750 gulden hebben moeten
betalen. Tegen welken prijs heeft hij de el verkocht, als hij 15
percent gewonnen heeft?
248. Vijf pond thee kost ly^ gulden meer dan 15 pond
koffij, terwijl 5 pond koffij in prijs gelijk staat met 1 y^
thee. Hoe veel gulden kosten nu 2 % po^d thee en 5 pond
koffij te zamen ?
249. Van zekere breuk zijn teller en noemer te zamen 250.
Indien men 11 bij den teller optelt en 36 van den noemer
aftrekt, dan bekomt men eene breuk, die gelijk is aan y^.
Welke breuk wordt hier bedoeld ?
250. Onder 8 mannen en 5 jongens moet 750 gulden zoo ver-
deeld worden, dat 2 mannen 60 gulden meer bekomen dan 3 jon-
gens. Hoe veel gulden komt ieder van de mannen en jongens toe?
251. Van zekere meetk. evenredigheid staan de derde en
vierde term tot elkander als 2 tot 15, terwijl 'tverschil
tusschen den eersten en tweeden term 20% is. Welke
is deze evenredigheid, als de tweede term 6'/^ maal in den
laat sten bevat is?
252. Er is eene breuk, waarvan teller en noemer te zamen
200 zijn. Wanneer men den teller met 27 vermeerdert
en den noemer met 17 vermindert', dan bekomt men
eene breuk, die gelijk is aan Welke is die breuk?
253. Een graanhandelaar verkocht 150 mud rogge met eene
winst van 1 y^ gulden op 'tlast, en eene partij boekweit met
een verlies van 3 stuivers per mud. Indien zijne winst
op de rogge tot zijn verlies op de boekweit stond als 5 tot
4, kunt gij dan berekenen, hoe veel mud boekweit hij meer
verkocht heeft dan rogge ?
veenstra , denkoef. 6