Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
hoe lang moeten dan 12 zulke werklieden arbeiden, om 120
gulden te verdienen?
29. A, B en C hebben met gemeensehappelijken handel
gewonnen 2000 gulden, waarvan A 250 gulden minder, en
C 375 gulden meer toekomt dan B. Hoe veel komt ieder
van de winst toe?
30. Van zekere partij koopwaren is maal het acht-
ste deel juist 15 pond meer dan 3% maal het 12de deeL
Uit hoe veel pond bestaat die partij?
31. Toen iemand van zekere som gelds het derde deel
en 25 gulden had uitgegeven, was er van de bedoelde som
nog juist 225 gulden over. Hoe groot was die som?
32. Eene partij rogge werd met een verlies van 6 V^
percent verkocht voor 703% gulden. Hoe veel zou de ver-
koop geweest zijn, indien de partij met eene winst van 7 %
percent verkocht ware?
33. Van zekere som gelds is 't vierde deel en 250 gulden
even veel als 't der de deel en 125 gulden. Hoe veel intrest
kan de bedoelde som, tegen 5 percent in 't jaar, in 7 '4
maand opbrengen ?
34. A zette voor den tijd van 15 maanden 4800 gulden op
rente uit tegen 3% percent in 'tjaar, en B 6400 gulden,
tegen 5 percent in 'tjaar, voor zekeren tijd. Hoe lang heeft
het kapitaal van B uitgestaan, zoo bij 15 gulden intrest meer
ontvangen heeft dan A ?
35. A, B en C hebben 2375 gulden op de volgende wijze
onder elkander te verdeelen. A moet een rijksdaalder hebben
tegen B 3%^ gulden, en deze een rijksdaalder tegen C 3%^
gulden. Hoe veel gulden komt ieder toe?
36. Eene som van 1500 gulden moet onder A, B en C
zoo verdeeld worden, dat A 2 gulden bekomt tegen B3,
terwijl C 5 gulden moet hebben tegen A en B te zamen 3.
Hoe veel gulden komt ieder toe?
37. Drie jongens, die wij A, B en C zullen noemen, heb-
ben ieder eenig geld in de spaarbank, doch B heeft er 12%