Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
der breedte, hoe veel rijksdaalders bragt dan dit stuk land op?
185. Als 6375 gulden, in 8 maanden, 75 rijksdaalders en
15 kwartguldens intrest opbrengt, hoe veel gulden rente kan
dan 7500 gulden in 1'/^ jaar opbrengen?
186. Een winkelier verkocht 75 el laken voor 506% gul-
den, waardoor zijne winst juist 11% gulden meer was dan
10 percent. Tegen welken prijs per el heeft hij het laken in-
gekocht ?
187. Als men %, %, '7,2 en y,g onder den klein-
sten gemeenen te 11 er brengt, hoe groot is dan de som
der nieuwe noemers?
188. A, B en C hebben 26 500 gulden zóódanig onder elk-
ander te verdeelen, dat A 3 gulden bekomt tegen B een rijks-
daalder, terwijl C 4 gulden moet hebben tegen B 3. Hoe veel
gulden komt ieder afzonderlijk toe ?
189. Zeker werk kan door 4 arbeiders in 12 weken voltooid
worden, zoo zij dagelijks 12^ uur arbeiden. Hoe lang zullen
5 arbeiders, die per dag 12 uren werken, daarmede bezig
moeten zijn ?
190. Twaalf arbeiders verdienen in 25 dagen 375 gulden.
Hoeveel dagen moeten 32 arbeiders werken, om 2000 gulden
meer te verdienen ?
191. A kocht voor 54 gulden kleiaardappelen, tegen 45 stui-
vers de mud; B kocht van eene andere soort voor 24 rijks-
daalders en ontving juist één mud m e e r dan A. Bereken nu eens,
hoe veel cents de eene soort per mud meer kostte dan de andere.
192. Eene som van 1250 gulden moet onder A, B en C
zóódanig verdeeld worden, dat A — op 25 gulden na— half
zoo veel bekomt als B en C te zamen. Indien B 2 gulden
toekomt tegen C 3, hoe veel gulden komt dan ieder in 't bij-
zonder toe?
193. Van zekere som heeft A ontvangen het 5de deel en 150
gulden, B het vierde deel en 250 gulden, en C de rest.
Hoe veel gulden heeft ieder ontvangen, als G 500 gulden meer
ontvangen heeft dan A?