Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
heeft hij dan van iedere soort tot de menging gebruikt?
134. Bereken het kleinste getal, dat, door 5, 8, 9 of 12
gedeeld, niets, doch door 50 gedeeld, 40 tot rest der dee-
ling geeft.
135. Veertig even zware kazen, ingekocht voor 96 gul-
den, werden met eene winst van percent verkocht, tegen
26J/^ gulden het schippond. Hoe zwaar woog iedere kaas?
136. Van 2 getallen, die tot elkander staan als 6 J/^ tot 7 J/2»
is de som 250 meer dan 't verschil. Hoe veel is 't pro-
duct der bedoelde getallen?
137. Lodewijk, Willem en Petrus hebben te zamen 117
gulden in de spaarbank, doch Lodewijk heeft er een rijksdaal-
der in tegen Willem een gulden, en Petrus een gulden tegen
Willem een rijksdaalder. Hoe veel heeft ieder er in?
138. A en B handelden in compagnie. A legde in den han-
del 7500 gulden voor 5 maanden en B zekere som voor 1
maand. Hoe groot was hun inleg te zamen , zoo zij de winst
gelijkelijk gedeeld hebben?
139. Eene erfenis, groot 32 100 gulden, moet onder A, B,
C en D zoo verdeeld worden, dat A drie gulden bekomt tegen
B 4, B 5 tegen C 8, en C 6 tegen D V/^. Hoe veel gulden
moet ieder hebben?
140. Door voordeeligen handel heb ik met zeker kapitaal
eene som gewonnen, waarvan 't deel en 250 gulden even
veel is als 't % deel min 125 gulden. Hoe veel gulden heb ik
in den handel gezet, zoo mijne winst juist 12 percent bedraagt?
141. Als men zeker getal met 3 vermenigvuldigt, bij 't
product 125 optelt, de som door 16 deelt en van 'tquo-
tient 6J/^ aftrekt, dan is de rest het kleinste gemeene
veelvoud van 6, en 12Welk getal wordt hier
bedoeld ?
142. Van eene meetk. evenredigheid zijn de eerste en
tweede term te zamen 37 /g' terwijl de som van den. de r de n
en vierden term, die tot elkander staan als 2 tot drie, 150
is. Welke zijn de termen?