Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
189-
het overige geld, tegen 6 percent in 'tjaar, voor 10 maan-
den. Hoe groot was ieders kapitaal, als A, B en C te zamen
821 gulden en 87/2 cent intrest betaald hebben?
257. Als een koopman 3 stukken katoen verkoopt tegen 9
stuivers de el, dan wint hij 7 % gulden; doch verkoopt hij ze,
tegen 37 % cent de el, dan staat zijn verlies tot de genoem-
de winst als één tot twee. Als men u zegt, dat het groot-
ste stuk 25 el korter is dan de andere stukken te za-
men, kunt gij dan de lengte van elk stuk berekenen, zoo de
kleinste stukken in lengte tot elkander staan als 3 tot 4?
258. Als A aan zeker werk eerst 45 dagen arbeidt, dan
kan B het overige in 24 dagen verrigten, en zoo zij eerst
20 dagen te zamen werken, dan kan A het overige in
34 dagen alleen doen. In hoe veel dagen kan ieder het be-
doelde werk verrigten?
259. Twee stukken laken, die in lengte tot elkander staan
als 2 J/2 tot 3%, kosten te zamen 381 gulden en 25 cents.
Hoe veel gulden kost elk stuk, als 2 J/^ el van 'tkleinste
15% en 3% el van 'tgrootste 225/3 ^"^^^^n kost?
260. Onder A, B en C werd zeker kapitaal zóó verdeeld ,
dat A het derde en B het v ij f d e gedeelte ontving. Indien
't aandeel van C 450 gulden meer was dan de helft der
aandeelen van A en B te zamen, kunt gij dan berekenen,
tegen hoe veel percent in 't jaar 't bedoelde kapitaal op rente
uitgezet moet worden, om er in 5 maanden 15 rijksdaalders in-
trest van te kunnen trekken ?
261. A, B, C en D handelden in compagnie. A droeg tot
dien handel bij 1500 gulden, B C 3125 gulden en D
Hoe veel gulden kwam ieder van de winst toe, als D
120 gulden meer moest hebben dan B?
262. Een ambtenaar verteert jaarlijks van zijn inkomen
het Vq gedeelte en 125 gulden. Hoe veel gulden geeft hij
jaarlijks meer uit dan hij overhoudt, als zijne spa a rp en-