Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
166-
van 12^2 percent, voor 100 rijksdaalders en 125 kwartguldens.
Hoe veel gulden zou de verkoop geweest zijn, indien hij 15
percent gewonnen had?
97. Eene som van 2125 gulden moet onder 3 personen, die
wij A, B en C zullen noemen, zóó verdeeld worden, dat B 375
gulden meer bekomt dan A, terwijl C 375 gulden meermoet
hebben dan A en B te zamen. Hoe veel gulden komt ieder
van de genoemde som toe ?
98. Een graanhandelaar verkocht eene partij rogge met eene
winst van 12^2 percent, waardoor 't bedrag van den in- en
verkoop juist 1912 Vj gulden was. Uit hoe veel last bestond de
partij, als de inkoop van 3% mud 22'/2 gulden was?
99. Een landbouwer verkocht eene partij haver tegen 3'/^
gulden de mud, en ontving in betaling 75 guldens en zóó veel
rijksdaalders als hij mudden verkocht. Uit hoe veel mud
bestond de partij?
100. Van 2 getallen, die 625 verschillen, is de som
3125. Indien men bij 'tkleinste getal 750 optelt, welk ge-
tal moet men dan bij 'tgrootste voegen, opdat de getallen
in de zelfde betrekking tot elkander blijven staan?
101. Een winkelier wil een bak laten maken, die Hy^mni
erwten kan bevatten. Indien hij de lengte bepaalt op 3%
en de wijdte op el, hoe diep moet dan de bak zijn?
102. Er is eene breuk, waarvan teller en noemer te zamen
100 zijn. Indien men den teller met 6 en den noemer met
14i vermeerdert, dan bekomt men eene breuk, die gelijk is aan
y,. Welke breuk wordt hier bedoeld ?
103. Van eene andere breuk zijn telleren noemer te zamen
75, terwijl hun verschil gelijk is aan 'tkleinste gemeene
veelvoud van ly^, 2'/^ en é'/j. Indien men bij den teller 3
optelt, welk getal moet men dan van den noemer aftrekken,
om eene breuk te bekomen, die in waarde gelijk is aan %?
104. A kan zeker werk verrigten in 30, B in 40 en C in