Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
161-
te bandelen, 't Geld van A is 8, en dat van B 7 % maand
in den handel geweest. Hoe veel gulden heeft ieder in den han-
del gelegd, zoo A 2 gulden van de winst toekwam tegen B
3, en hun gezamenlijke inlegsom, tegen 5 percent in 'tjaar,
in 7 V2 raaand 203 gulden en 12 % cent intrest kon opbrengen?
GO. Een heer heeft bij een' koopman eenig geld op rente
uitstaan, en berekent, dat hij over 8 maanden 3843% en over
een jaar 3890Vq gulden aan kapitaal en intrest kan terug ont-
vangen. a) Hoe groot is 't uitgezette kapitaal, en tegen hoe veel
percent in 'tjaar staat het uit? b) En tegen hoe veel percent
in 'tjaar moet dat kapitaal op intrest uitgezet worden, om in
9 maanden 140 gulden en 62% cent rente op te brengen?
61. A, B en C hebben eenige dagen met elkander gewerkt
en in dien tijd 45 gulden verdiend. A en B te zamen hadden
het werk kunnen doen in 10'%, dag; B en C tezamen in
135/3 en A en C te zamen in 12 dagen. Hoe veel gulden
iomt ieder, naar evenredigheid van arbeid, van de verdiende
som toe?
62. De eer s te term eener opklimmende rekenkundige reeks
is 3%, de reden 5%^ en 't verschil tusschen den eer-
sten en laatsten term 337 J/^. Hoe veel zijn de termen dier
reeks te zamen?
63. Iemand heeft een' vrachtvragen, waarvan de voorwie-
len 14, en de achterwielen 21 palm in middellijn zijn.
Hoe lang is een weg, waarop de voorwielen van dezen wa-
gen ieder 3000 maal vaker rondwentelen dan elk der ach-
terwielen? (N.B. De middellijn staat tot den omtrek
als 7: 22).
64. Van zekere meetkundige evenredigheid staat de tweede
term tot den vierden als 4 tot 5, terwijl de som van den
eersten en derden term 168%^ is. Welke is die evenre.
digheid, zoo de laatste term 2%g maal in den eersten be-
vat is?