Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
159-
44. Onder A, B, C en D moet 1750 gulden zód verdeeld
worden, dat A 3 gulden bekomt tegen B 4, B 3 tegen C 4,
en deze 3 tegen D 4. Hoe veel gulden moet ieder hebben?
45. 't Geld van A staat tot dat van B als
tot
25
1% 6%.
Hoe veel gulden heeft ieder, zoo B 500 gulden meer heeft
dan A?
6V
46. Als men bij den teller van de breuk optelt,
i 5
welk getal moet men dan bij den noemer voegen, om eene
breuk te bekomen, die aan % gelijk is?
47. Een winkelier betaalde op eene rekening 2 y^ maal zoo
veel kwartguldens als hij guldens schuldig was. Hoe veel
kwartguldens heeft hij betaald, als hij toen nog 150 rijksdaal-
ders schuldig bleef?
48. A en B leggen in den handel 5000 gulden, B en C 7625
en A en C 6375 gulden. Hoe veel gulden komt ieder van de
winst toe, als die 760 gulden is?
49. Klaas en Willem speelden om knikkers. Bij den aan-
vang van 't spel had Klaas 5 meer dan Willem, Hoe veel
knikkers had ieder bij 't e i n d e van 't spel, als Willem van zijne
knikkers het vijfde deel en 7 verloren en 't vierde deel
en 15 overgehouden heeft?
50. Van zekere breuk zijn teller en noemer te zamen gelijk
aan 'tkleinste gemeene veelvoud van 12 Vg, 16% en 20. Wan-
neer men den teller met 11 % ve r rai n d er t en bij den n o e-
mer 18 optelt, dan bekomt men eene breuk, die gelijk is
aan ^^elke breuk wordt hier bedoeld?
51. A en B wonnen met gemeenschappelijken handel 1000
gulden, waarvan B, op 125 gulden na, 2 maal zoo veel toekwam
als A. Hoe veel gulden heeft B voor 8 maanden in den handel
gelegd, zoo A, voor 7% mïiand, 4000 gulden ingelegd heeft?
52. Een schooljongen deelde zeker getal door den groot-