Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
155-
Hoe lang was 't stuk, als B, op 1 \ el na, 1 niaal zoo veel
gekocht heeft als A ?
15. Eene som van 2000 gulden moet onder A, B en C
zoo verdeeld worden, dat A 2 % ^aaal zoo veel bekomt als B,
terwijl C 250 gulden meer moet hebben dan A en B te zamen.
Hoe veel gulden komt ieder toe?
16. Van zeker kapitaal heeft A 18% gulden ontvangen te-
gen B 7/2- llöe gulden heeft ieder ontvangen, zoo A
2812% gulden meer ontvangen heeft aan B?
17. Een graanhandelaar kocht eene partij rogge tegen 216
gulden het last. Het % gedeelte er van verkocht hij tegen 7
en de rest tegen 8 gulden de mud, waardoor zijne winst op
de partij juist 255 gulden was. Bereken nu eens, hoe veel mud
hij met verlies verkocht heeft?
18. Iemand verkocht een stuk laken, met eene winst van 13
percent, voor 212 gulden en 50 cents, waardoor de verkoop
per el zoo veel boven de 4 gulden was als de inkoop er
beneden. Hoelang was het stuk?
19. Een winkelier kocht eenige vaten olie tegen 47% gul-
den het vat, en betaalde met 360 guldens en 1% maal zoo
veel dubbeltjes als hij kannen kocht. Hoe veel dubbel-
tjes heeft de winkelier m e e r betaald dan guldens?
20. Koopman de Roos verkocht 12 el zwart, en 15 el
blaauw laken voor 150 gulden, en later van de zelfde stuk-
ken 25 elzwart en el blaauw voor 200 gulden. Hoe
veel gulden kostte de el van iedere soort in 't bijzonder ?
21. A heeft 625 gulden en verdient wekelijks 5 gulden
meer dan hij verteert. B daarentegen heeft 750 gulden en
verdient per week 2% gulden meer dan hij uitgeeft.
Indien zij zdó voortleven, wanneer zullen zij dan even veel
hebben?
22. Een winkelier heeft thee van 2% en van 3 gulden het
pond. Indien hij nu 45 pond moet afleveren van 2% gulden