Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
133-
van 1 '/j gulden ieder. Vijf dagen later stelde B 10 arbeiders
aan 't werk, die ieder dagelijks 24 stuivers verdienden. Indien
A en B op deze wijze zóó lang hebben laten voortwerken tot
hunne uitgaven juist even veel waren, kunt gij dan berekenen,
hoe veel dagen de arbeiders van ieder gewerkt hebben?
297. Een rentenier gaf aan A zeker kapitaal ter leen tegen 5
en aan B zekere som tegen 4 percent in 't jaar, en ontving
na verloop van een jaar aan intrest te zamen 315 gulden. In-
dien beide sommen tegen 5 percent in 'tjaar hadden uitgestaan,
dan zou de jaarlijksche rente 10 gulden meer geweest zijn. Hoe
veel intrest moest ieder jaarlijks betalen ?
298. Een winkelier verkocht 2 stukken linnen, tegen 75 cents
de el, en ontving daarvoor 65 guldens en zóó veel dubbeltjes
als hij ellen verkocht. Indien hij 25 percent op 't linnen ge-
wonnen heeft, en de stukken 25 el in lengte verschilden, kunt gij
dan berekenen, hoe veel gulden hij op ieder stuk gewonnen heeft?
299. Twee kooplieden, die wij A en B zullen noemen, hebben
te zamen handel gedreven en tot dat einde eenig geld bijeen
gebragt. Indien A 1500 gulden minder ingelegd heeft danB,
kunt gij dan berekenen, hoe veel gulden de inleg van B was,
zoo die van de 75 0 gulden winst 75 rijksdaalders meer ont-
vangen heeft dan A ?
300. A, B en C hebben zekere som zóódanig onder elkander
te verdeelen, dat A en B 500 gulden meer bekomen dan C,
B en C 750 gulden meer dan A, terwijl A en C 250 gul-
den meer moeten hebben dan B. Hoe veel gulden komt ieder
van de bedoelde som toe ?
301. Van 2 breuken, die te zamen 1zijn, is 't verschil
y,2. Welk is 'tproduet der bedoelde breuken?
302. Als men de som der getallen, die met de cijfers 2, 4, 6
en 8 gemaakt kunnen worden, vermindert met de som der ge-
tallen, welke met de kleinste 4 onevene cijfers temaken
zijn, welke rest bekomt men dan?