Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Bereken op de kortste wijze de som der termen van de be-
doelde reeks.
7
262. Wanneer men bij den den teller van de breuk ^^^
vijf optelt, welk getal moet men dan bij den noemer op-
tellen, om eene breuk te bekomen, die aan gelijk is?
263. Welk product bekomt men, wanneer men 'tkleinste
gemeene veelvoud van SV^ , 5% en 9 vermenigvuldigt
met den groot sten gemeenen deel er van 11%, 18%
en 30?
264. Toen 4 jongens in 5 dagen even veel verdienden als
3 mannen in 2 dagen, verdienden 4 mannen in 7 dag eene
waarde van 15 rijksdaalders. Hoe veel gulden konden 6 man-
nen en 10 jongens toen in 8 dagen te zamen verdienen ?
265. A en B handelden in compagnie. A legde in den han-
del 2500 gulden voor den tijd van 8 maanden, en B zekere
som voor 7 uiaand. Hoe veel gulden heeft B inden handel
gelegd, als hij van de winst 3 gulden ontvangen heeft tegen A 4?
266. Toen'tlast haver 12% gulden minde r kostte dan 20
mud rogge, ontving een landbouwer voor 15 mud rogge en 20
mud haver te zamen 60 rijksdaalders en 75 kwartguldens. Hoe
veel gulden kostte de mud van ieder?
267. Van zekere breuk zijn teller en noemer te zamen 88, en
zoo men den teller met 8 vermeerdert en den noemer
met 21 vermindert, dan is de breuk gelijk aan Indien
men bij den teller der bedoelde breuk 20^/2 optelt, welk ge-
tal moet men dan van den noemer aftrekken, om eene breuk
te bekomen, die aan % gelijk is ?
268. A, Ben C huurden eene weide voor 457 gulden en 50
cents. A liet er iu weiden 4 koeijen en 3 paarden, B één
paard en 6 koeijen, en C 2 paarden, 5 koeijen en 6 schapen.
Hoe veel gulden moest ieder tot de huur bijdragen, als 3 paar-
den met 2 koeijen, en 3 schapen met één paard in weide
gelijk gesteld zijn?