Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
de eerste term 6 en de som der termeu 20400. Hoe vaak
is de eerste term in den laatsten bevat?
48. Jan , Hendrik en Willem hebben 100 gulden zóódanig
te deelen, dat Hendrik 5 gulden meer bekomt dan Willem,
terwijl Jan 3 maal zoo veel moet hebben als de anderen te
zamen, en nog 10 gulden bovendien. Hoe veel gulden komt
ieder toe ?
49. Eene partij ruwe wol, ingekocht tegen S]/^ gulden de
2 J/2 po"'^' ^^'ei'd verkocht tegen 11'/^ gulden de 7 '/j pond,
waardoor de winst juist zoo veel gulden beliep als 't klein-
ste gemeene veelvoud is van 12J/^, 20 en 33^. Hoe
zwaar woog die partij wol?
50. Iemand heeft van eene som gelds, die tegen iy. per-
eent iu 'tjaar uitstond, in 7'/^ maand 48 gulden rente ontvan-
gen. Hoe groot was die som ?
51. Een graanhandelaar kocht eene partij rogge voor 1250
gulden, en verkocht die met eene winst van 6 percent. Uit
hoe veel mud bestond de partij, als de winst op 'tlast 11
gulden beliep?
52. Men vraagt naar't k 1 ein ste getal, dat, door 15, 24,
32 of 36 gedeeld, ni ets, doch, door 75 gedeeld, 60 in de
deeling overlaat.
53. Van eene rekenk. reeks, die uit 50 termeu bestaat, is
de laatste term 135, terwijl de som der termen SBSIJ/^
is. Hoe vaak is de eerste term in den laatsten bevat?
54. Albert, Lodewijk en Johannes hebben te zamen 75 gul-
den in de spaarbank, doch Albert heeft er 6,25 gulden min-
der, en Johannes 15% gulden meer in dan Lodewijk. Hoe
veel gulden heeft ieder er in?
55. Eene som van 500 gulden moet onder A, B en C zóó
verdeeld worden, dat B en C te zamen 100 gulden minder
bekomen dan A, terwijl B 5 gulden moet hebben tegen C 3.
Hoe veel gulden komt ieder toe?
56. Als men 36,75 — uitgedrukt in 't ach ttallig stelsel —
in ons talstelsel overbrengt, welk getal bekomt men dan?