Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
gelijktijdig 2 personen elkander te gemoet; doch de eene vor-
derde dagelijks 1% uur meer dan de andere. Indien zij el-
kander op 'teinde van den vierden dag ontmoet hebben, hoe
veel had toen ieder in 't bijzonder van den weg afgelegd?
125. In een' bak, die 2 el, 1 palm en 6 duim wijd, en 1J/^
el diep is, kan 101 mud en 25 kop graan gestort worden. Welk
eene lengte heeft deze bak inwendig?
128. Een winkelier heeft eene partij tabak gekocht tegen 15
gulden de 16 pond, en die weder verkocht tegen 16 gulden
de 15 pond. Hoe zwaar woog de partij, als hij er 155 gulden
op gewonnen heefl?
127. Er zijn 2 getallen, waarvan de som 3125 is. Indien
men 375 bij 'tkleinste, en 500 bij 't grootste voegt,
dan staan zij tot elkander als 1 tot 3. Welke getallen zijn het?
128. A kan zeker werk verrigten in 12 dagen; B in 15, en
C in 20 dagen. Indien zij dit werk gezamentfijk verrigten, en
er 15 gulden aan verdienen, hoe veel komt dan ieder, naar
evenredigheid van arbeid, van de verdiende som toe?
129. Van 3 getallen is de som 2375. Indien men't groot-
ste met 125 vermindert, en de beide andere getallen, elk
in 't bijzonder, met 125 vermeerdert, dan is de som
der kleinste getallen gelijk aan het grootste, terwijl het
grootste dan tot het kleinste staat als 5 tot 2. Welke
getallen zijn het?
130. Een winkelier verkocht eenige stukken ongebleekt ka-
toen tegen stuiver de el, en ontving er 86 gulden en zóó
veel centen voor als hij ellen verkocht. Bereken nu eens, hoe
veel ellen hij verkocht heeft?
131. A, B, C en D hebben 3500 gulden op de volgende wijs
te deelen: A komt 3 gulden toe tegen B 4; B 3 tegen C 4,
terwijl D 4 gulden moet hebben als C 3 bekomt. Hoe veel
gulden komt ieder toe?
132. A, B en C hebben 1890 gulden zóódanig te deelen,