Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
Hoe lang moet B aan A 5 jongens terug geven, om hem gelijke
dienst te bewijzen, zoo de jongens ieder 15 stuivers per dag
verdienen ?
109. Een winkelier ontving eene partij thee, waarvan 't b ru-
to gewigt 840 pond was. Hoe veel gulden moest hij er voor
betalen, als 15 pond 56'% gulden kostte en hij 5 boven het
100 kon korten voor tarra?
110. Deel ^ in ^ en tel bij 't quotient % X 9 '/g
op; welk getal bekomt gy dan?
111. Welk product bekomt men, als men 't verschil van
2'/ 2V
j vermenigvuldigt met 75?
112. Eene som, groot 13 635 gulden, moet onder A en B
zóódanig verdeeld worden, dat het deel van A tot dat van B
staat als het kleinstegemeene veelvoud van 8^, 9%,
12%. 15 en 18%^ tot den grootsten gemeenen d e e-
lervan420, 960 en 1500. Hoe veel gulden moet ieder hebben?
113. Er is eene breuk, waarvan teller en noemer te zamen
55 zijn. Wanneer meu bij den teller 9 en bij den noemer
fi optelt, dan staat de teller tot den noemer als 2 tot 3.
Welke breuk wordt hier bedoeld ?
114. Zeker kapitaal moet onder A, B, C, D en E zóódanig
verdeeld worden, dat A '/. en 300 gulden bekomt, B min
250 gulden, C "/(. en 1500 gulden, D '% min 375 gulden,
en E de rest of 2700 gulden. Hoe veel gulden komt A, B,
C en D ieder in 't bijzonder toe ?
115. Bereken het kleinste getal, waarin ^'A'
8,8% en 9,2? zonder overschot gedeeld kunnen worden.
ne. A heeft van 12 000 gulden in 9 maanden 360 gulden
rente getrokken, en B van zeker kapitaal in 5 maanden juist
60 gulden minder. Hoe veel gulden heeft B meer op intrest
uitgezet dan A, zoo 't kapitaal van B één percent in 't jaar
hooger uitgestaan heeft dan dat van A? 8*