Boekgegevens
Titel: Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1867 *
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8866
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202164
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Denkoefeningen: verzameling van rekenkundige voorstellen voor volks- en burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
weken in de stad geweest was, werd er zóó veel man van weg-
gezonden, dat de overigen toen nog 30 weken met de rest der
levensmiddelen toe konden. Hoe veel man werd er na 11 weken
weggezonden ?
82. Eene som van 3350 gulden moet onder A, B, C en D
zoodanig verdeeld worden, dat B 125 gulden minder be-
komt dan C; terwijl D 450 gulden meer toekomt dan C. Hoe
veel gulden moet ieder hebben, als B 150 gulden meer te
ontvangen heeft dan A?
83- Van eene partij koffij, ingekocht tegen 84 cents het pond,
werd het verkocht tegen 88 cents het pond; — het
y,. deel tegen 18 stuivers het pond, en de rest tegen 3%
kwartgulden het pond. Hoe zwaar woog de partij, als er zóó
veel gulden op gewonnen is, als de intrest van 2700 gulden,
tegen 5 percent in 'tjaar, in 9 maanden bedraagt?
84. Een winkelier ontving 2800 pond winkelwaren, name-
lijk koffij, thee, suiker en tabak. Voor 'tpond koffij betaalde
hij 15, voor 't pond thee 48, voor 'tpond suiker 12, en voor
'tpond tabak 16 stuivers; terwijl hij voor elke soort van waar
eene gelijke som betaalde. Hoe veel pond heeft hij van ieder in
't bijzonder gekocht, en voor hoe veel gulden te zamen ?
85. Eene som van 5050 gulden moet onder 4 personen,
die wij A, B, C en D zullen noemen, zóó verdeeld worden, dat
A 450 gulden minder—en C 375 gulden meer bekomt
dan B. Hoe veel gulden moet ieder afzonderlijk hebben, als D
250 gulden meer toekomt dan C?
86. Een wijnhandelaar heeft wijn van 13 en 15 stuivers de
kan. Van deze 2 soorten wil hij door menging 120 kan maken
van 67,5 cent de kan. Hoe veel moet hij van iedere soort tot
de menging gebruiken, om zijn doel te bereiken ?
87. Een veehandelaar kwam in de gelegenheid om met ge-
reede betaling een' voordeeligen koop te doen; doch zijne beurs
liet dit niet toe. Hij nam daarom de noodige som ter leen, te-