Boekgegevens
Titel: Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: 's Hage: Joh. IJkema, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8812
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202138
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
noemen, te zamen 3125 gulden ter leen, doch van B
maal zoo veel als van A. Van A ontving hij't geld
voor den tijd van 9 maanden tegen 5 perc. in't jaar en
van B, tegen percent in 't jaar, voor zekeren tgd.
Indien A en B voor kapitaal en interest te zamen 3228
gulden en cent terug ontvangen hebben , hoelang
heeft de koopman dan het geld van B ter leen gehad?
5. Iemand kocht eene partij koopwaren tegen contante be-
taling voor 2500 gulden en verkocht die 2 J- maand
later, op 5 maanden crediet, voor 2625 gulden. Hoe
veel percent won hij alzoo in 't jaar ?
6. Toen 5 jongens in denzelfden tijd even veel verdienden
als 3 mannen, verdienden 5 mannen en 15 jongensin
5 dagen met gemeenschappelijken arbeid juist 87.J-gul-
den. Hoe veel gulden verdienden 15 mannen en 5
jongens toen in 10 dagen te zamen?
7. Een winkelier kocht eene partij tabak tegen 7| gulden
de 10 kilogram en verkocht die tegen 6 gulden de 7 J-
kilogram , waardoor zijne winst op de partij 93 gulden
en 75 cents beliep. Uit hoe veel kilogram bestond die
partij?
8. Een heer, die eenige daglooners in zijne dienst heeft,
neemt eenig geld, ten einde hen voor hunnen arbeid
te betalen, doch ontdekt bij 't nazien, dat hij 6 J- gulden
zal te kort komen, wanneer hij ieder 25 stuiver geeft,
terwgl hij 3| gulden zal overhouden, indien hij ieder
75 cents betaalt. Hoe veel daglooners werken voor
dien heer ?
9. Onder A en B moet 90 gulden zóó verdeeld worden,
dat B maal zoo veel bekomt als A, en nog 15
gulden. Hoe veel gulden komt ieder alzoo toe?
10. Wanneer men alle getallen tusschen 10 en 111 bij elk-
ander optelt, welk getal bekomt men dan ?