Boekgegevens
Titel: Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: 's Hage: Joh. IJkema, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8812
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202138
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
de stukken ieder in 't bizonder , als ze in lengte tot
elkander stonden als 3, 4 en 5?
2. Hoe veel twintigste deelen moet men bij optellen >
' 10
om Ij'j te bekomen?
3. Twee kooplieden, die wij A en B zullen noemen, han-
delden te zamen. A legde in den handel 3750 gulden
voor den tijd van 6 maanden en B zekere som voor
5 maanden. Indien zij met dien handel 625 gulden
gewonnen hebben , hoe veel gulden heeft dan B in den
handel gelegd , zoo hij 125 gulden minder gewonnen
heeft dan A?
4. Van zekere meetkunstige evenredigheid staan de eerste
en tweede term tot elkander als 5 tot 8 , terwijl de
derde en vierde term te zamen 39 zijn. Welke is die
evenredigheid, als de derde term maai in den eer-
sten bevat is?
5. B heeft van 4500 gulden in 9 maanden 5 rijksdaalders
interest meer getrokken dan A van 3750 gulden, tegen
6/- percent in 'tjaar, in 8 maanden. Tegen hoe veel
percent in 'tjaar heeft B zijn geld op rente uitgezet?
6. A heeft 75 gulden en verdient wekelijks 3| gulden meer
dan hij uitgeeft. B heeft 225 gulden, doch geeft weke-
lijks 2} gulden meer uit dan hij verdient. Indien
zij zóó voortleven, wanneer zullen zij dan even veel
hebben ?
7. Een landbouwer verkocht eene partg haver tegen 3^
gulden de hectoliter. Wanneer men de lasten, waaruit de
partij bestond , optelt bij de guldens , die de landbou-
wer er voor ontvangen heeft, dan bekomt men 283'.
Uit hoe veel hectoliter bestond de partg ?
8. Een rentenier gaf aan 2 kooplieden, die wij A en B
zullen noemen, eenig geld ter leen, doch aan B 1500