Boekgegevens
Titel: Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: 's Hage: Joh. IJkema, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8812
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202138
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
dan 't drievoud der breedte. Hoe groot is die weide ?
4. Een boer verkocht op denzelfden dag één paard, ééne
koe en 3 schapen en ontving daarvoor te zamen 656
gulden en 25 cents. Voor 't paard ontving hij Ifmaal
zoo veel als voor de koe, en voor deze 3 maal zoo veel
als voor de schapen te zamen, en nog 56^ gulden
bovendien. Als u gezegd wordt, dat de prijzen der
schapen tot elkander stonden als 4, 5 en 6 , kunt gij
dan berekenen , hoe veel gulden hij voor ieder dier in
't bijzonder ontvangen heeft?
5. Een rentenier gaf aan 2 kooplieden, die wij A en B
zullen noemen , eenig geld ter leen, doch aan B 750
gulden meer dan aan A. A ontving het geld, voor den
tijd van 9 maanden , tegen 5 percent in 't jaar, terwijl
B het geld, tegen 4 [ pereent in 't jaar, voor den tijd
van 8 maanden ontving. Hoe veel gulden heeft ieder
in 't bizonder ter leen ontvangen, zoo A en B te
zamen 123 gulden en 75 cents interest betaald hebben ?
6. Van eene opklimmende rekenkunstige reeks, die uit 51
termen bestaat, is de eerste term 11{ en de reden 3J.
Men vraagt naar de som dier reeks.
7. Wanneer men zeker getal door 6f deelt, dan bekomt
men 't J gedeelte van 31J. Welk product bekomt men,
wanneer men 't bedoelde getal met 6^ vermenigvuldigt?
8. Van zekere meetkunstige evenredigheid is de tweede
term het drievoud van den eersten, terwijl de som van
den derden en vierden term 30 is. Welke is de be-
doelde evenredigheid, zoo de eerste term juist 6 maal
in den laatsten bevat is ?
9. Toen een jongen van zijne knikkers het derde deel en
5 verloren had , had hij nog juist het vierde deel en
20 over. Hoe veel knikkers had de jongen bg den aan-
vang van 't spel?