Boekgegevens
Titel: Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: 's Hage: Joh. IJkema, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8812
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202138
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
verlangt het antwoord in de kleinste geheele getallen.
A en B hebben ieder eenig geld op rente uitstaan, doch
B 750 gulden meer dan A, die jaarlijks Ij percent
interest van zijn geld meer ontvangt dan B. Hoe groot
is ieders kapitaal, als A en B in den zelfden tijd even
veel interest ontvangen ?
7. Van eene meetkunstige reeks, die uit 9 termen bestaat,
is de eerste term 3|, terwijl de laatste 960 is. Hoe
veel is de derde term meer dan de tweede ?
8. A en B hebben ieder eenig geld op rente uitstaan, doch
A 2500 gulden minder dan B, die zijn geld heeft
uitgezet tegen S' percent in 't jaar. Indien B jaarlijks
84 gulden en 37J- cent interest meer ontvangt dan A,
hoe groot is dan ieders uitgezet kapitaal, zoo 't geld
van A tegen 4 percent in 't jaar uitstaat?
3. Wanneer men den teller van zekere hieuk, die verkleind
kan worden, met 2| — en den noemer met 3| ver-
mindert , dan behoudt de breuk de zelfde waarde, ter-
wijl 't verschil tusschen teller en noemer dan nog
gelijk is aan den grootsten gemeenen deeler van 11^,
18| en 30. Wanneer men bij den ieZtec van de bedoelde
breuk optelt, welk gedeelte van 181 moet men
dan bij den noemer voegen, om eene breuk te beko-
men , die aan | gelijk is ?
10. In zekere meetkunstige evenredigheid is 't verschil der
voorgaande termen 22J- en dat der volgende 33f, ter-
wijl 't verschil der termen van de tweede reden = is
aan 't | gedeelte van 6| X 3f. a) Welke is de bedoelde
evenredigheid, en h) hoe groot is het kleinste gemeene
veelvoud barer termen ?