Boekgegevens
Titel: Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Veenstra, B.
Uitgave: 's Hage: Joh. IJkema, 1874
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8812
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202138
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gemengde opgaven: verzameling rekenkunstige voorstellen ten dienste van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
guldens bedroeg. Hoe lang was ieder stuk, als ze in
lengte tot elkander stonden als 4 , 5 en 6 ?
31'
4. Met hoe veel vijfde deelen moet men 't ~ gedeelte
oo
van X 37^ vermenigvuldigen, om 't vijfvoud van
11J te bekomen?
5. Verdeel 't getal 150 zóódanig in 4 deelen, datdieeene
meetkunstige evenredigheid vormen, waarvan de som
der termen van de volgende reden een veelvoud is van
de som der termen van de voorgaande reden.
6. Van zekere rekenkunstige reeks, die uit 25 termen be-
staat, is de reden , terwijl de eerste en laatste term
tot elkander staan als 3 tot 7. Hoe veel zijn de termen
dier reeks te zamen ?
7. Verdeel 't getal 120 zóódanig in 4 deelen, datdieeene
meetkunstige evenredigheid vormen, waarvan de som
der termen van de voorgaande reden het vijfvoud is
van de som der termen van de volgende reden. In-
dien de derde en vierde term tot elkander moeten
staan als 3 tot 5 , kunt gij dan berekenen, welke even-
redigheid hier bedoeld wordt ? b) En welk is 't kleinste
getal, waarin de termen der bedoelde evenredigheid
zonder overschot gedeeld kunnen worden ?
8. Verdeel 't getal 250 zóódanig in 4 deelen, dat ze eene
meetkunstige evenredigheid vormen, waarvan de som
der termen van de voorgaande reden staat tot de som
der termen van de volgende reden als tot 3|. In-
dien u gezegd wordt, dat de eerste term juist 1| maal
in den tweeden bevat moet zijn, kunt gij dan bere-
kenen , welke evenredigheid hier bedoeld wordt?
9. .B heeft 50 gulden meer dan A, C 25 gulden meer
dan B, terwijl D 75 gulden meer heeft dan C. Hoe veel
gulden heeft ieder, zoo B 5 gulden heeft tegen D 9 ?