Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
200. Als het jaar gerekend wordt op 36-5 d., 5 u., 48 min.,
49 sec., hoeveel dagen, uren, minuten en seconden heeft dan
3'/4 jaar?
201. Hoeveel dM^. zijn 33 cM'. + 0,23 M^. + 0,098 HL.
+ 9,8 dL. + 0,856 dS?
202. A verdient in 4 dagen evenveel als B in 3 dagen.
Als A den 20» Juli begint te werken, wanneer moet B dan
beginnen, opdat ze aan het eind van den 11» Aug. evenveel
verdiend hebben, als de 19" Juli op Zondag valt?
203. Door een rechthoekig stuk land, dat 25 DM. langen
188 M. breed is, graaft men men in de lengte een sloot, die
boven overal 4 M. wijd is. Van de twee stukken, die daardoor
ontstaan, heeft het eene 32 M. meer omtrek dan het andere.
Hoeveel HA. is ieder stuk groot?
204. Iemand koopt tarwe a fl2 den Hïi. Hij verkoopt
den Hli. voor 13^/., gulden, maar geeft op iederen HL. 2'/2 L.
toe. Als zijn winst f560 bedraagt, hoeveel HL. heeft hij dan
gekocht?
205. A, B en C kunnen een werk afmaken in 5 dagen. Als
A en B er samen 3 dagen aan arbeiden, kan C de rest in
11 dagen voltooien. In hoeveel dagen kan C alleen het geheele
werk afmaken?
R. N. S. Eindhoven.
206. Een handelshuis heeft een reiziger, die 6 pCt. van
de winst zal genieten. Indien de winst 15 pCt. en de verkoop
f 269675 is, hoeveel moet de reiziger dan ontvangen ?
207. Iemand vermenigvuldigt een getal met 25. De som
van vermenigvuldigtal, vermenigvuldiger en product is 34-57.
Welk is het vermenigvuldigtal ?
208. Een koopman koopt suiker en rijst, samen voor f 88.
De KG. suiker kost 60 cent en de KG. rijst 20 cent. Als hij
40 KG. meer suiker dan rijst koopt, bepaal dan, hoeveel KG.
hij van elk heeft gekocht.
209. Wanneer ik zeker getal door 16 deel en het ook
met 360 verminder, krijg ik dezelfde uitkomsten. Welk is
dat getal?