Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
191. B verkoopt van eene partij goederen het ^Z, met 24 pCt.
winst en de rest met 8 pCt. verlies. Als hij in het geheel
f 580 ontvangt, hoe groot is dan de inkoop?
192. Van eene breuk is de som van teller en noemer 104.
Vereenvoudigt men haar, dan is die som 8. Als het verschil
van de tellers 36 is, welke breuk heeft men dan vereen-
voudigd ?
193. Bereken het volgende, eerst alleen met decimale,
daarna met gewone breuken, en schrijf er uw bewerkingen bij :
3^ X (4.0625 + + 1.053125 + 3^2 - 0.890625)
ö;6Ï5
•194. Hoeveel dI\P. bordpapier heeft iemand noodig voor
een open doos, wanneer zij 0,55 M. lang, 3,5 dM. breed en
15 cM. hoog is.
195. Vul in: 0,04 DS + 0,4 dS. = . . . . DL.
4,6 KM2. — 40,3 A. = . . . . HM^.
600 X 0,57 KL. = . . . . dS.
75,375 MG. : 900 = . . . . HG.
24 cS. : 3,125 cL. = . . . . maal.
196. Een schuld van 3000 gulden wordt betaald met rijks-
daalders en bankbiljetten van 25, 40 en 60 gulden. Men geeft
6 maal zooveel rijksdaalders als bankbiljetten van 25 gulden,
2 maal zooveel bankbiljetten van f40 als van f25 en l'/j
maal zooveel bankbiljetten van f60 als van f40. Hoeveel
bankbiljetten en hoeveel rijksdaalders gaf men?
197. J. P. en H. deelen 300 gulden. J. moet 45 gulden
meer hebben dan P en P 7 gulden tegen H. 3 gulden. Hoe-
veel krijgt ieder ?
198. A en B leenen voor 4'/o maand zekere som,tezamen
15000 gulden. A moet 4 pCt." en B 41/2 pCt. betalen. Wat
leende ieder, als ze samen 236,25 gulden aan rente betaalden ?
199. Bereken het volgende en schrijf de bewerkingen er bij.
+ - S 4- ^ + ^
iVs + 2"/,20 ( ^ : + 7 \
h. (8,2016 X 6,25 — 7,15625 X 1,28) X 0,00125 : 0,015625