Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
XX. R. K. S. Groningen.
144. Bepaal alle getallen tusschen 700 en 1200, die door
12 gedeeld 10, door 16 gedeeld 14 en door 20 gedeeld 18 tot
rest geven.
145. Twee getallen staan tot elkaar als 2 : 71, men trekt
van ieder dier getallen 6 af en nu staan de verschillen tot
elkaar als 1 en 5. Beredeneer, welke getallen dat zijn.
146. De tijden, waarin A en B ieder afzonderlijk een werk
kunnen afmaken, staan tot elkaar als 5 tot 6. Wanneer B eerst
alleen 13 dagen arbeidt, kunnen zij de rest doen in 5 dagen,
in hoeveel dagen kan A het werk alleen doen?
147. Hoeveel is:
7 ' ^
+ 12V. V r2 5 + 04m •
148. Wat is het grootste getal beneden 5000, dat bij dee-
ling door 12, 13 en 14 telkens 4 tot rest geeft?
149. Een breuk heeft de waarde »^/iü. Was de noemer 3
meer dan zou de waarde % zijn. Beredeneer welke breuk dat
moet zijn.
150. Van een vierkant vloerkleed wordt een rand afgesne-
den, welks breedte gelijk is aan '/a van de oorspronkelijke
lengte van 't kleed. Die rand heeft een oppervlakte van
567 dM^ Iloe lang zijn de zijden van 't overblijvende stuk ?
151. Hoeveel is:
16"/., _ 16 Va - 6-7, _ 16 Va + 6% / 0.3 _ 0.2 \ 3
6% + 16'/, - 6% 1.75:1.4 8'/, 3
\
XXI. R. K. S. Nijmegen.
152. In te vullen :
X - (3.75 : 6.25 6.25 : 3.75) = Vj^ —
0.2
153. Het 0.75 van 't geld van A. staat tot het van dat
van B. als 6:5, en het % van 't geld van B. staat tot het
0.3 van dat van C. als 3: 2. Samen hebben zij 91 gulden
hoeveel heeft elk?