Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
de omtrek 400 M. is. Het eerste legt 180 M., het tweede
156 M. per minuut af. Na hoeveel tijd zal het eerste het
tweede voor 't eerst inhalen en hoeveel keeren heeft elk
paard dan de baan geloopen?
130. De noemer eener breuk is 35. Men vermindert den
noemer met 4 en deelt den teller door l^/g. Welk gedeelte
van de waarde der oorspronkelijke breuk is er door die ver-
andering bijgekomen of afgegaan?
131. Als 37 HL. rogge f33 meer kosten dan 23 HL. tarwe
en 1 HL. rogge met 1 HL. tarwe samen f 9 kost, wat ia
dan de prijs van 1 Hl;, van elke graansoort?
132. Een regenbak (zonder deksel) is, van buiten gemeten,
1.5 M. lang en 1.2 M. breed. Van binnen is hij 3.25 M. diep.
Het metselwerk is 1 dM. dik. De vier opstaande wanden
van dezen bak worden van binnen met verglaasde tegeltjes-
bezet, die 1.5 cM. dik zijn. Hoeveel Liter wordt de bak door
die wandbekleeding kleiner?
XVIII. R. K. S. Apeldoorn.
(Duidelijk beredeneeren.)
133. Een kamer is 5.2 M. lang en 4.4 ÄL breed. Er wordt
een vloerkleed gelegd, welks banen 70 cM. breed zijn. Wat
is voordeeliger: 't kleed in de lengte te leggen of in de
breedte, en hoe groot is het verschil in prijs, als 1 M. van
het kleed f 2,50 kost?
134. Hoeveel is:
10.7 + 78.817: (5.419 - 7.9141: 2.9)+ (43/4 + 3V3 X l^'s — ö'tóX
(De geheele bewerking opschrijven.)
135. A verdient in 3 maanden evenveel als B in 5 maan-
den. Als B f 10 meer en A f 10 minder per maand ver-
diende, waren hun verdiensten gelijk. Hoeveel verdient ieder
per maand?
136. Twee kapitalen zijn samen f 45000 groot. Het aantal
rijksdaalders, door het ééne opgebracht tegen 5 % 'sjaars,
bedraagt 225 meer dan het aantal guldens, door het andere
opgebracht tegen 4 % 'sjaars. Welke zijn die kapitalen?
137. Hoeveel getallen, kleiner dan 1500, zijn tegelijk deel-
baar door 12 en 15?