Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
110. A kan zeker werk afmaken in 10 dagen; helpt B
hem eiken dag '/2 dag, dan is het in 6 dagen klaar. In
hoeveel dagen kan B het alleen afmaken ?
111. Jan heeft tweemaal zooveel centen als Piet; Jan wint
10 centen van Piet en heeft er nu vijfmaal zooveel als deze.
Hoeveel centen had elk eerst?
112. Een kubus wordt in 8 gelijke kuben verdeeld, wier
gezamenlijke oppervlakte 13 dM- en öO cM^ grooter is dan
de oppervlakte van den geheelen kubus. Hoeveel weegt de
geheele kubus, als het soortelijk gewicht der stof % is?
XV. R. K. S. Deventer.
113. Een hond vervolgt een haas, die 90 hazesprongen vóór
is. De haas doet 5 sprongen, tegen dat de hond er 4 doet;
maar 7 hazesprongen zijn even lang als 5 hondesprongen. In
hoeveel sprongen haalt de hond den haas in?
114. Twee getallen, die zich verhouden als 2 en 3, worden
ieder afzonderlijk van 100 afgetrokken. Welke zijn die getallen,
als de resten, die er overblijven, tot elkander staan als 13 en 7 ?
115. A, B en C kunnen zeker werk samen in 2 dagen
afmaken. Werkt C alleen eerst 1 dag, dan kunnen A en B
samen de rest in 2^5 dag voltooien. In hoeveel dagen kan
A het werk gereedmaken, als A's werkkracht van die
van B is ?
116. Iemand ontvangt a 4 pCt. 'sjaars een som gelds in
leen op voorwaarde, dat hij een deel van de schuld over een
jaar en de rest over twee jaar zal aflossen. Hoe groot is de
som, die hij in leen ontvangt, als hij aan het einde van het
eerste jaar aan kapitaal en verschenen rente 1880 gld. moet
betalen en aan het einde van het tweede jaar 2912 gld. ?
117. Van een trapezium is de oppervlakte 6 A. 86,43 cA.
en de hoogte 1 DM. 7 M. 4 dM. Hoeveel M. zijn de even-
wijdige zijden lang, als deze 85 dM. in de lengte verschillen ?
XVI. R. K. S. Maastricht.
118. Welke getallen boven 300 zijn deelbaar op elk der
getallen 8400, 98000 en 192500? Waarom?
119. Iemand wint 8 percent, op den verkoop. Met hoeveel