Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
101. Een bak is voor het -js gedeelte gevuld met water.
Er is 243 DL. in aanwezig. Als de lengte 1.5 dM. en de
breedte 12 dM. is, hoe diep is dan de bak ?
En zoo eene kraan aan den bodem per minuut 3 kilogram
water doet uitvloeien, in hoeveel uur zou het geheel gevulde
vat dan leeg loopen ?
102. Men vermeerdert den teller eener breuk met 10 en
deelt den noemer door 5, waardoor eene breuk verkregen
wordt, die 30-maal zoo groot is als de oorspronkelijke breuk.
Wat is van deze de teller?
N. B. Beredeneerd oplossen.
103. Bewijs 2 (5 — 2) = 2X5 — 2X2;
en 5' X = 53 + 2 = .55.
Breng deze twee waarheden in woorden.
XIV. R. N. S. Nijmegen.
104. Het ontbrekende getal in te vullen:
(7,32.-) + 3,4375 - .... X il'-) v ''»oo
1 / . QI; /15
:esJ — (7-
105. Vermeerdert men den noemer eener breuk met 10,
dan krijgt ze de waarde van ; vermindert men den noe-
mer met 16, dan wordt de waarde '/4. Welke waarde heeft
die breuk ?
106. Voor 10 jaar was mijn vader 4-maal zoo oud als ik ;
voor 5 jaar was hij 3-maal zoo oud. Wanneer zal hij 2-maal
zoo oud zijn als ik ?
107. Iemand trekt van zeker kapitaal in een jaar f 900
rente. Had hij het tegen '/s '/„ per maand hooger uitgezet,
dan zou hij in een halfjaar f 600 rente getrokken hebben.
Tegen hoeveel percent 'sjaars stond het kapitaal uit?
108. Een koopman verkoopt het vierde deel zijner waren
met 6 pet. winst, het derde deel met 2 pet. verlies en de rest
met 4 pet. loinst. Hoeveel heeft hij bij dezen handel gewon-
nen, als de som van in- en verkoop f 891 is?
109. Het van het geld van A staat tot het "'7 van dat
van B als 2 : 5, en samen hebben zij f 300. Hoeveel gulden
heeft ieder?
Toetsnaald VII. 6