Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
8(5. Vier personen leggen geld bij elkander om handel te
drijven. B. legt f 250 meer in dan A., f 250 minder dan C.
en f 500 meer dan D. Ze winnen met den handel f 780, en
hiervan krijgt A. f 180. Hoeveel had ieder ingelegd en hoe
groot was ieders winst?
87. Teller en noemer eener echte breuk verschillen 25.
Als men den teller door deelt en den noemer met 55
vermindert, blijft de waarde der breuk onveranderd. Welke
is die breuk?
88. Twee personen hebben ieder eenig geld. A.heefteven-
veel minder dan f 1000 als B. meer dan f 100 heeft. A. ver-
liest 6'/4 pCt. van zijn geld en B. wint I2V2 pCt. van het
zijne, en nu hebben ze evenveel. Hoeveel had ieder aan-
vankelijk en hoeveel later?
89. Een leerling moet een getal deelen door 40.25, doch
vergist zich in de plaats van de punt en deelt door 4.025.
Indien zijn quotiënt 130.5 te groot is, vraagt men naar het
deeltal.
XII. R. K. S. Haarlem.
90. Als 8 eieren op de markt worden gekocht voor een
kwartje, hoeveel moeten er dan voor een gouden tientje ver-
kocht worden om 25 pCt. te winnen?
91. Twee spoorwegstations A en B zijn 80 K.M. van elkaar
verwijderd. Uit A vertrekt 's middags 1,45 een trein naar B
met eene snelheid van 25 K.M. per uur. Uit B vertrekt om
2,45 's middags een trein naar A met eene snelheid van 41
K.M per uur. Op welken afstand van B zullen de treinen
elkaar ontmoeten ?
92. De verhouding van de geldsommen, die A en B be-
zitten, is 7 : 8. Ontvangt B f 270 bij hetgeen hij heeft, dan
heeft hij tweemaal zooveel als A. Hoeveel geld bezit ieder?
93. Een kassier heeft in eene geldlade 700 geldstukken,
en wel guldens en rijksdaalders. Hij wisselt de guldens in
voor rijksdaalders en heeft nu 460 geldstukken. Hoeveel stuks
had hij van iedere soort aanvankelijk?