Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
76. Een stuk land is 400 M. lang en 300 M. breed. Er
loopen 4 slooten door : 2 in de lengte en 2 in de breedte.
De slooten zijn 1.6 M. breed. Hoeveel HA. land blijft er over?
77 Vul in - = g'/. V
//. vuiin. 4 875 + 91/4 - ^X......
{De geheele bewerking opschrijven.)
78. De teller eener breuk is 7 minder dan de noemer.
Men deelt den teller van de breuk door 3';4 en trekt van
den noemer 22 af. De waarde van de breuk is nu niet ver-
anderd. Bereken de oorspronkelijke breuk.
79. A heeft 25 gulden meer dan B. A geeft van zijn geld
f 2 aan B. Nu verhoudt zich het geld van A tot dat van B
als 3'/2 tot 2. Bereken het geld van B.
80. Iemand verkoopt zijne goederen met 5 % winst voor
f 1732,50. Hoeveel zou hij ontvangen hebben, indien hij 7 %
gewonnen had?
81. Een rechthoekig bleekveld is 10 M. lang en 8 M. breed.
Er wordt aan alle zijden een pad afgenomen van 7 dM.
breedte. Hoe groot is het overblijvende bleekveld?
8-2. Vul in: (2V4 + 3.375 : »/,„) X 'lu =.....X 4.5.
(De geheele bewerking opschrijven.)
83. Men vermenigvuldigt den teller van zekere breuk
met 2'/2 en deelt den noemer door ''j-. Nu bekomt men eene
breuk, die ''lm grooter is dan de oorspronkelijke. Bereken de
oorspronkelijke breuk.
84. Het geld van A staat tot dat van B als 5 tot 6 en
het geld van B tot dat van C als 7>/2 : 10. C heeft f 3,75
meer dan A. Bereken het geld van B.
18 97.
XI. G. K. S. Amsterdam.
85. Een koopman heeft twee partijen koffie gekocht, te
zamen 750 KG., tegen f 1,20 en f 1,35 de KG. Na eenigen
tijd verkoopt hij beide partijen tegen f 61,44 de 50 KG. en
verliest daardoor op beide partijen 4 pCt. Hoe groot was
iedere partij ?