Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
De aanhaling.
Eens ging een kommies aan den zeekant in 't rond:
('s Mans naam wil ik liefst u verzwijgen)
Hij dacht, zoo hij hier eens een smokkelaar vond.
Wat lof en wat loon hij zou krijgen.
Hij was er geweest van des morgens al vroeg.
Wanneer hij Louw Hendriks ontmoette.
Die, zwoegend, een fustje met brandewijn droeg,
En dien hij dus minzaam begroette:
Enz.
Zeg het verschil in beteekenis tusschen:
Een oud huis. Een vervallen huis. — Een werkend lid
van een vereeniging. Een werkzaam lid van een vereeniging.
— Een spelend kind. Een speelsch kind. — Men deed hem
allerLei vragen. Men bestormde hem met vragen. — Ik kan
nog op hem rekenen. Nog kan ik op hem rekenen.
Vul aan:
Hij geeft mij geen gelijk, hoewel ....
Hij geeft mij geen gelijk, indien ....
Hij geeft mij geen gelijk, tenzij.....
Hij geeft mij geen gelijk, omdat ....
Wie een examen moet doen, heeft de laatste maanden hard
gewerkt, zoodat hij waarlijk behoefte aan ontspanning heeft.
a. Ontbind in zinnen en zeg, wat ze met elkaar te maken
hebben.
h. Ontleed redekundig.
c. Benoem de cursief gedrukte woorden taalkundig.
XXVII. R. K. S. Deventer.
Wijs met een cijfer boven de cursief gedrukte woorden aan.
in welken naamval zij staan, en zeg, daarbij waarom.
I.
Pieterhaas.
Daar landde, op zeekren morgen.
Een vreemdling te Zaandam,
En niemand wist te zeggen.
Van welke plaats hij kwam.