Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
Een oude zeelt verroert geen vin;
Het baarsje hapt het aas :
Mét schiet een haak zijn kieuwen in,
Gevangen is de dwaas.
De henglaar stopt hem in zijn net;
Daar vloekt hij nu zijn waan :
„Ach, had ik, ouderlief, gelet
Op uw zoo wijs vermaan !
Dat zweer ik! zoo 'k het nog ontspring.
Stipt volg ik steeds uw raad !"
„ „Baars !" " (zei de man, die schrappen ging !)
„ „Die eed komt wat te laat." "
A. Bogaers.
a. Geef den inhoud van het gedicht in den vorm van een
verhaal weer.
l. Waarbij behooren:
in het heet seizoen, —• domlend, — door het groen verdek.
c. Schrijf naast de volgende woorden andere, die in hoofd-
zaak dezelfde beteekenis hebben:
seizoen, dommelend, sloot, geeuwde, makker, geturkt, aanhou-
dend, loom, vreugd, hengelaar.
d. Schrijf de enkelvoudige zinnen op, waaruit het eerste
couplet bestaat en ontleed de zinnen redekundig.
Benoem de woorden: wier, krozig en hood taalkundig.
e. Schrijf het eerste couplet over en geef door een cijfer
boven het woord te plaatsen den naamval aan van al de
woorden, die een naamval hebben.
1. Gebruik in goede zinnen :
seizoen, schaduw, voorzien (2 beteekenissen).
2. Schrijf de zinnen op, waaruit het vierde couplet be-
staat, en zeg welke hoofdzinnen, welke bijzinnen zijn.
Benoem de bijzinnen.
Benoem taalkundig dat, roer, het.
3. Wat is:
krozig groen, eene luwe schaduw, geen vin verroeren ?