Boekgegevens
Titel: Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: 's-Gravenhage: Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-maatschappij, 1899
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8770
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202131
Onderwerp: Onderwijs: studentenevaluatie
Trefwoord: Examenopgaven, Voortgezet onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Toetsnaald VII voor hen, die zich voorbereiden voor de toelatings-examens tot de kweekscholen en rijks-normaallessen voor onderwijzers en onderwijzeressen: schriftelijke examen-opgaven 1895-1899
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
Een slaap, die ons geheel opfrischt.
Verbazing, die men niet in ivoorden kan uiten.
Een genot, dat alleen in de verbeelding bestaat.
Gewassen, welke alleen buiten het vaderland voorkomen.
Een lach, die niet natuurlijk is.
IJver, die lof verdient.
Een roman, die niet vertaald is.
Belangstelling, die langzamerhand verminderd is.
Ontwikkeling, die zich in zeer vele richtingen openbaart.
P]en verhaal, dat op rijm is.
Vroomheid, die niet oprecht gemeend is.
Een toestand, waarin men van alle zijden door gevaren om-
ringd is.
Kalmte, die iemand in alle omstandigheden weet te bewaren.
Eene overtuiging, die geheel vaststaat.
Eene onderneming, die tan zeer veel overmoed getuigt.
Een antwoord, waarna verder vragen geheel onnoodig is.
Spot, die in hooge mate moet grieven.
V.
Vrede.
In onze dagen zij het Vrede,
Volmaakte vrede en stille rust!
Het laatste twistvuur zij gebluscht;
Het oorlogszwaard blijve in de scheede
Ontzweef ons niet, begeef ons niet.
Gij, Engel, die den Vree gebiedt!
De herder weide zijne schapen
Langs batterijen zonder nut;
In schaduw van 't verroest geschut
Legt zich 't verzadigd ooi te slapen ;
't Nieuwsgierig lam zie vroolijk op
En stoot in d' ijzren mond den kop.
Het veld zij vol van gouden halmen.
Van witte zeilen 't golfgebruis,
Van blijde lied'ren ieder huis,
Het heiligdom van dankbare psalmen;
De burger, die het minst bezit,
Steke ook zijn stukje vleesch aan 't spit!